6. Zacharia; Wanneer Gods volk verzwakt                

6. Zacharia; Wanneer Gods volk verzwakt.pdf

(Zacharia 1:2-3) 2 De HEERE is zeer toornig geweest op uw vaderen. 3 Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Keer terug naar Mij, spreekt de HEERE van de legermachten, dan zal Ik naar u terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten.
.                                   (Alle aanhalingen uit de Herziene Staten Vertaling)
————————————————————————————————————–

In het vorige artikel hebben we gesproken over de slechte geestelijk leiders en dat Gods toorn tegen hen zal ontbranden. Over de aankondiging van de beloofde Messias, en het verstrooide Joodse volk dat uit alle delen van de wereld zal worden teruggebracht voor de uitverkiezing. In Zach. hoofdstuk 11 gaan we verder met de verwoesting van Jeruzalem met zijn tempel, de opdracht van de Zoon van God en de  twee stokken ‘lieflijkheid’ en ‘samenbinding’.

Wanneer een natie Gods wet verwerpt en ervoor kiest om onnatuurlijke zonde te promoten, volgen decadentie en zelfvernietiging. Zo is het machtige Romeinse Rijk ten onder gegaan en het lijkt er op dat de geschiedenis zich nu weer herhaalt.

Thema: De twee stokken ‘lieflijkheid’ en ‘samenbinding’ en de slechte herder.

De verwoesting van Jeruzalem met zijn tempel

  • (Zach.11:1-3) 1 Open uw deuren, Libanon, opdat vuur uw ceders verteert. 2 Weeklaag, cipressen, omdat de ceders gevallen zijn, omdat die machtige bomen verwoest zijn. Weeklaag, eiken van Basan, omdat het ondoordringbare woud is neergevallen. 3 Hoor het gejammer van de herders, omdat hun pracht verwoest is. Hoor het gebrul van de jonge leeuwen, omdat de glorie van de Jordaan verwoest is.

De eerste drie verzen van hoofdstuk 11 kunnen alleen betrekking hebben op de verwoesting van Jeruzalem met zijn tempel in 70 n.Chr. Er zijn namelijk geen andere verwoestingen van ‘de pracht’ Jeruzalem geweest, vanaf de tijd van Zacharia tot aan de verwoesting door de Romeinen. Jeruzalem met zijn tempel wordt in dit gedeelte vergeleken met ‘Libanon met zijn hoge ceders’. Het land Basan (N.O. van het meer van Galilea) stond bekend om de eiken (Jes. 2: 13, Ezech. 27:6).
Salomo gebruikte veel cederhout uit Libanon toen hij de 1e tempel bouwde. Zerubbabel zal beslist weer cederhout en eikenhout hebben gebruikt voor de 2e tempel. ‘Het vuur dat de ceders verteert’ vertegenwoordigd het Romeinse vuur bij de verwoesting van Jeruzalem met zijn 2e tempel:

(1 Koningen 6:2,9,16) 2 En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig el in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte…. 9 Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders…. 16 Verder bouwde hij de laatste twintig el vanaf de achterzijde van het huis met cederhouten planken tot een vertrek, vanaf de vloer tot aan de wanden ter hoogte van het dak….

Het gejammer klinkt van de herders, de geestelijke leiders, over het verwoeste huis van God. De beeldspraak; ‘de cipressen zullen weeklagen’, betekent dan hoogstwaarschijnlijk dat het Joodse volk ook zal weeklagen:

(Jesaja 10:17,33-34,,11:1) 17 Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur, zijn Heilige tot een vlam, en die zal zijn distels en zijn dorens verbranden en verteren, in één dag….33 Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten, zal met geweld de takken afhouwen;  de statige woudreuzen zullen worden omgehakt, en de hoge bomen neergeworpen. 34 Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer, en de Libanon zal vallen door de Machtige..11:1 Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï (Jezus), en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.

De statige woudreuzen zullen door de Heer worden ‘omgehakt’ of vernederd. Ceders en eiken worden als machtige personen of (geestelijke) leiders voorgesteld in de Schrift:

(Jesaja 2:12-14) 12 Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn tegen al wie hoogmoedig en trots is, tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden; 13 tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven, en tegen alle eiken van Bas(h)an, 14 tegen al de hoge bergen en tegen al de verheven heuvels,….

Het gebrul van de jonge leeuwen (Zach. 11:3) duidt op de zonen van de koningen:

(Ezechiël 19:1) 1 En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël, 2 en zeg: Wat was uw moeder? een leeuwin! Tussen de leeuwen lag zij. Te midden van de jonge leeuwen bracht ze haar welpen groot.

Omdat Gods Zoon werd verworpen, zou Hij voor het onberouwvolle Jeruzalem een vlam worden. De glorie van de Jordaan, Jeruzalem met zijn tempel, zou verwoest worden door het Romeinse leger  omdat het woord van de Heilige, de Zoon van God, niet geloofd werd:

(Jesaja 5:24-26) 24….omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben. De uitgestrekte hand van de HEERE 25 Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand. Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;….26 Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg. Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;

De Romeinen hadden Juda (of Judea) al in 63 v.Chr. onder beheer genomen als een Romeinse provincie. In 37 v.Chr. werd de heidense Herodes I de Grote (uit Edom) de tetrarch of vazalkoning van Juda en Galilea. Maar de Joden kwamen in opstand tegen de regerende Herodes dynastie.
De Joodse historicus Flavius Josephus beschrijft in zijn boek ‘Wars of the Jews’ een heftig conflict tussen Joodse en Griekse inwoners in Caesarea, een kustplaats tussen het huidige Haifa en Tel Aviv. De Syrische gouverneur Cestius Gallus (Romein) werd er met een leger van 1 legioen naartoe gestuurd. Daarna vertrok hij naar Jeruzalem en belegerde de stad met zijn leger in 66 n.Chr. Na vijf dagen strijd, net toen hij succes kreeg in zijn strijd (volgens Josephus), trok hij zijn troepen ‘zonder enige reden’ terug. Jaren later stuurde keizer Vespasianus zijn zoon Titus naar Judea om als eerste het verzet in Jeruzalem neer te slaan. Na de aanval door generaal Titus werd Jeruzalem met zijn tempel in 70 n.Chr. overwonnen en compleet verwoest. ‘De brullende jonge leeuwen’ (Zach. 11:3) is dus een beschrijving van de zonen van de Herodes dynastie, die tot ongeveer 92 n.Chr. koningen bleven over Israël.

De opdracht van de Zoon van God

  • (Zach.11:4-5) 4 Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen. 5 Hun kopers doden hen maar voelen zich niet schuldig; hun verkopers zeggen: Geloofd zij de HEERE, dat ik rijk geworden ben; en hun herders sparen hen niet.

Het klinkt als een opdracht aan Zacharia om een goede herder te zijn voor het Joodse volk.
Als we echter in vers 13 lezen over ‘de 30 zilverlingen die de pottenbakker toegeworpen worden’ (Matt. 27:3,7), dan weten we dat de opdracht voor Jezus bedoeld is. De Joodse herders gedroegen zich in Jezus dagen – ondanks alle inspanning van Gods profeten – als goddeloos:

(Jeremia 12:1,3) 1 HEERE, U zou rechtvaardig blijken, wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren. Toch wil ik met U over Uw oordelen spreken. Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen? 3 U echter, HEERE, kent mij, U ziet mij, U beproeft mijn hart, dat met U is. Ruk hen weg als schapen ter slachting, bereid hen voor op de dag van de slacht.

De Joodse geestelijke leiders gedroegen zich zeker niet als rechtvaardige heilige herders.
Door hun gedrag verzwakte Gods volk als schapen die gereed waren voor de slacht. De opdracht aan Jezus was, om de verloren schapen van Israël te weiden en bijeen te brengen:

(Mattheüs 15:24) 24 Hij antwoordde en zei: Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.

Want zoals al gezegd, het was geen wonder dat zoveel Joden als schapen verloren gingen:

(Jesaja 9:15) 15 Want de leiders van dit volk zijn misleiders: wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht.
(Ezechiël 34:2-6) 2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3 U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, maar de schapen weidt u niet.

Allen waren slechte herders, de hogepriester, de priesters, de Schriftgeleerden, de Farizeeën, de Sadduceeën, de oudsten. Niemand had zorg voor de schapen, ze waren uit op eigenbelang:

(Lukas 16:13-14) 13 Geen huisslaaf kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de ene hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon. 14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij beschimpten Hem.
(Johannes 10:12) 12 Maar de huurling en wie geen herder is, die de schapen niet tot eigendom heeft, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek en vlucht; en de wolf grijpt ze en drijft de schapen uiteen.

Deze slechte herders voedden hun schapen wel met giftige leerstellingen, met de geboden of overleveringen van de oudsten en de overige mondelinge overleveringen (Matt. 15:6):

(Mattheüs 15:2) 2 Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten.

De bedoeling van deze overlevering was, om de handen te wassen tot aan de ellebogen.
In de gelijkenis van de slechte landbouwers verduidelijkte Jezus dit soort herders, herders die weigerden om de geoogste vruchten aan hun Heer af te dragen:

(Mattheüs 21:37-38) 37 Ten slotte stuurde Hij zijn Zoon naar hen toe en zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben. 38 Maar toen de landbouwers de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfenis voor onszelf houden.

Waarvoor zal God deze slechte landbouwers, deze herders, nog kunnen gebruiken?

(Mattheüs 21:40-41) 40 Wanneer dan de Heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij met die landbouwers doen? 41 Zij zeiden tegen Hem: Hij zal die kwaaddoeners een kwade dood doen sterven en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die Hem de vruchten op hun tijd zullen geven.

Door het unieke onderwijs van de goede Herder zullen de schapen wel verzameld worden:

(Jeremia 50:4,6) 4 In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE, zullen de Israëlieten komen, zij en de Judeeërs tezamen – al wenend zullen zij hun weg gaan – en zij zullen de HEERE, hun God, zoeken….6 Mijn volk – het waren verloren schapen. Hun herders hadden hen misleid, hen naar de bergen geleid. Zij gingen van berg naar heuvel. Zij vergaten hun rustplaats.

Hun kopers doden Gods volk’ maar de kopers voelen zich niet schuldig (Zach.11:5).
De geschiedenis herhaalt zich. In die dagen werd de waarheid van Gods woord door hun herders niet uitgedragen, nu in onze dagen is het weer hetzelfde. De waarheid wordt geweld aangedaan met leugens. De leugen dat het wereldwijd nemen van de serums nemen ‘een daad van liefde’ zou zijn. Gods schapen, de Christenen, worden nu weer aan de hoogste bieder  verkocht als slachtschapen en weer wassen de herders hun handen in onschuld. Dat gaat ook op voor het dodelijke vaccinatiedrama wat zich nu aan het voltrekken is in Israël, met hun hoge vaccinatiegraad.

  • (Zach.11:6) 6 Voorzeker, Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, spreekt de HEERE. Zie, Ik lever de mensen over, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen dit land te gronde richten en Ik zal hen uit hun hand niet redden.

Het gezegde, wat de Schriftgeleerden betrof, luidt: ‘Slecht voorbeeld doet slecht volgen’:

(Lukas 11:52) 52 Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf bent u niet binnengegaan en u hebt hen die binnengingen, tegengehouden.

Met ‘de bewoners van het land die niet meer gespaard worden’, werden onwillige schapen bedoeld. Degenen die in hun gedrag net zo slecht waren als de geestelijke leiders.
De ‘herders’ verloochenden de Messias en haalden de menigte over om dat ook te doen:

(Mattheüs 27:20) 20 Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over dat zij om Barabbas zouden vragen en Jezus zouden ombrengen.
(Handelingen 3:13-14) 13 De God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die u hebt overgeleverd. U hebt Hem verloochend vóór Pilatus, toen die oordeelde dat men Hem zou loslaten. 14 U echter hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat u een moordenaar geschonken zou worden,….

Daarna volgde de verwoesting van Jeruzalem en Masada door het Romeinse leger:

(Psalm 50:19-22) 19 Uw mond gebruikt u voor het kwaad, uw tong smeedt bedrog aan bedrog. 20 U zit daar en spreekt kwaad tegen uw broeder, u werpt een smet op de zoon van uw moeder. 21 Zulke dingen doet u en Ik zwijg; u denkt dat Ik net zo ben als u. Ik zal u straffen en uw zonden voor uw ogen uitstallen.  22 Begrijp dit toch, u die God vergeet; anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.

De getrouwe Joodse discipelen herkenden in de strijd om Jeruzalem de waarschuwing van de Christus en vluchtten naar de bergen van Juda, zoals Jezus had gezegd:

(Mattheüs 24:15-16) 15 Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! – 16 laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

De  twee stokken ‘lieflijkheid’ en ‘samenbinding’

  • (Zach. 11:7) 7 Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen.

Zacharia beschrijft in deze profetie de enige ware Herder, Jezus, die opkwam voor de schapen die in een ellendige toestand verkeerden. Schapen die alleen nog voor de slacht geschikt waren:

(Jesaja 40:11) 11 Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden: Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen  en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Herders hadden in die dagen een stok en een staf bij zich:

(Psalm 23:4) 4 Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
(Jesaja 10:24) 24 Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.

De herdersstaf bestond uit een lange, rechte stok met een ronde haak. De staf diende in de eerste plaats als ‘wandelstok’ voor de herder. Daarnaast gebruikte de herder zijn staf om de schapen bij elkaar te drijven en te weiden (Micha 7:14). De ronde haak diende om de schapen uit benarde posities te halen of te trekken zonder het schaap te verwonden. De herder maakte ook gebruik van zijn staf bij het tellen van de schapen wanneer zij de schaapskooi binnengingen (Ezechiël 20:37-38, Leviticus 27:32).
Om zijn kudde te beschermen tegen wilde dieren had de herder ook een slinger en een stok bij zich. De stok was een stevig kort stuk hout dat werd gedragen aan de gordel. De ‘ene stok’ of staf is de staf van ‘lieflijkheid’; de mildheid, liefde en bevoorrechting door God:

(Psalm 90:17) 17 De lieflijkheid van de Heere, onze God, zij over ons; bevestig het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat.
(Psalm 27:4) 4 Eén ding heb ik van de HEERE verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de HEERE, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.

De ‘andere stok’ is de stok van ‘samenbinding’; het samenbrengen van de uitverkorenen uit de 12 stammen onder één Koninkrijksregering (Op. 7:4-8). De verdeeldheid tussen Juda en Israël hield voor de discipelen van Jezus als één kudde in ieder geval op. Het was voor de uitverkiezing noodzakelijk dat de Messias de kudde overnam, alhoewel Hij alle Joden zou hebben gered, als deze Hem geloofd hadden en zijn discipelen zouden zijn geworden:

(Ezechiël 37:16-17) 16 En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen. 17 Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.

Ze hebben het echter niet gewild (Lukas 13:34), daarom bleven de onwillige Joden achter als slachtschapen. Want zalig zijn degenen die wel geloof stellen, allen die zachtmoedig zijn:

(Lukas 6:20) 20 En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

  • CSB – vertaald (Zach. 11:8) In één maand tijd werd ik verlost van drie herders. Ik werd ongeduldig met hen, en zij hadden ook een hekel aan mij.

De Farizeeën, de Sadduceeën en de Schriftgeleerden.
(Zie hiervoor ook: 3. De beloofde Messias, waarin de verschillende stromingen worden beschreven.)
Alle geestelijke leiders hadden de taak als herder. De belangrijkste herders waren echter de Schriftgeleerden, die de Schrift interpreteerden om deze uit te leggen aan de gewone Joden.
Oorspronkelijk waren het afschrijvers of kopieerders van de Hebreeuwse geschriften.
De groep Schriftgeleerden bestond uit een verzameling leden; van Sadduceeën, van Farizeeën en van een afzonderlijke groep die geen onderdeel van beide andere groepen vormde. Ze werden Rabbi genoemd. Jezus was echter de echte Rabbi of Leraar:

(Mattheüs 7:28-29) 28 Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van Zijn onderricht, 29  want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden.

De taak van de Schriftgeleerden was niet alleen het interpreteren en het onderwijzen van de Schrift, maar ook de rechtspraak in het Sanhedrin. Volgens Jezus waren de Schriftgeleerden (en ook de Farizeeën) op de stoel van Mozes gaan zitten:

(Mattheus 23:2-3) 2 De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; 3 daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken, want zij zeggen het, maar doen het zelf niet.

Er waren dus 3 groepen Schriftgeleerden. Volgens ons onderzoek is het daarom aannemelijk dat in Zach. 11: 8 met de 3 herders de samengestelde groep Schriftgeleerden werd bedoeld. Het waren de Schriftgeleerden die Jezus beschuldigden dat Hij Zijn werken deed met behulp van Beëlzebul (Satan):

(Markus 3:22) 22 En de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en: Door de aanvoerder van de demonen drijft Hij de demonen uit.

Jezus kon hen niet meer verdragen en walgde van hen omdat ze zo onrechtvaardig waren:

(Lukas 11:46,52) 46 Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden, want u legt de mensen lasten op die moeilijk zijn om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet met één van uw vingers aan….52 Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf bent u niet binnengegaan en u hebt hen die binnengingen, tegengehouden.
(Lukas 20:46-47) 46 Wees op uw hoede voor de schriftgeleerden, die in lange gewaden rond willen lopen en zeer gesteld zijn op begroetingen op de markten, de voorste plaatsen in de synagogen en de ereplaatsen tijdens de maaltijden, 47 die de huizen van de weduwen verslinden en voor de schijn lange gebeden doen. Zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

  • (Zach. 11:9) 9 Toen zei Ik: Ik zal u niet meer weiden. Laat sterven wat sterft, laat uitgeroeid worden wat dreigt uitgeroeid te worden en laten zij die overblijven elkaars vlees verslinden.

Jezus werd met minachting en haat beloond, vooral door de Joodse herders maar ook het volk:

(Mattheüs 27:25)  25 En heel het volk antwoordde en zei: Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!

God liet uiteindelijk het opstandige volk aan zichzelf over. Zijn toorn zou op die dag tegen hen ontbranden en God zou Zijn aangezicht voor hen verbergen:

(Deuteronomium 31:17) 17 Dan zal Mijn toorn op die dag tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, zodat zij opgegeten zullen worden; en veel verschrikkelijke dingen en noden zullen het volk treffen, zodat het op die dag zal zeggen: Hebben deze verschrikkelijke dingen mij niet getroffen omdat mijn God niet in ons midden is?
(Jeremia 15:1-2) 1 De HEERE zei tegen mij: stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan nog zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur hen van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan! 2 En het zal gebeuren, wanneer zij tegen u zeggen: Waar moeten wij naartoe gaan? dat u tegen hen moet zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie bestemd is voor de dood, naar de dood; wie bestemd is voor het zwaard, naar het zwaard; wie bestemd is voor de honger, naar de honger; en wie bestemd is voor de gevangenis, naar de gevangenis.

Jezus voorzei dat er hongersnoden en besmettelijke ziekten zouden komen:

(Lukas 21:11) 11 en er zullen grote aardbevingen zijn in verschillende plaatsen, hongersnoden en besmettelijke ziekten. Er zullen ook verschrikkelijke dingen en grote tekenen vanuit de hemel plaatsvinden.

Als we het verslag van de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus lezen, dan moeten we tot de conclusie komen dat de hongersnood in Jeruzalem in 70 n.Chr. verschrikkelijk was:

Flavius Josephus, The Jewish war. Book 6, Chapter 3, Part 3,4

  1. Welnu, van degenen die door hongersnood in de stad omkwamen, was het aantal ongelooflijk groot; en de ellende die ze ondergingen was onuitsprekelijk. Want als er ook maar een schaduw van wat voor soort voedsel dan ook verscheen, dan werd er weldra een oorlog begonnen; en de dierbaarste vrienden raakten daar met elkaar over in gevecht: elkaar de meest miserabele ondersteuning van het leven te ontnemen….Bovendien was hun honger zo ondraaglijk, dat ze alles moesten kauwen; terwijl ze dingen verzamelden die de meest smerige dieren niet zouden aanraken; en verdroeg ze op te eten. Ook onthielden zij zich uiteindelijk van gordels en schoenen; en het leer dat bij hun schilden hoorde, trokken ze eraf en knaagden eraan.
  2. Er was een zekere vrouw die aan de andere kant van de Jordaan woonde; haar naam was Maria; haar vader was Eleazar; van het dorp Bethezob….En het was nu onmogelijk voor haar geworden om nog meer voedsel te vinden, terwijl de hongersnood haar darmen en merg doorboorde….Kom op, wees mijn voedsel en wees een verschrikking jegens deze opruiende schurken, en een boodschap aan de wereld dat de rampen van ons Joden zal voltooien. Zodra ze dit had gezegd, doodde ze haar zoon; en roosterde hem toen; en at de ene helft van hem; en hield de andere helft bij haar verborgen.

In ‘3. Jongeren; Teleurstellingen en hoe hier mee om te gaan’ staat de uitleg over de dubbele vervulling van de gruwel van verwoesting (Matt. 24:1-2, 15-16, 21, 29-31); als eerste het Romeinse leger tegenover Jeruzalem met zijn tempel in 70 n.Chr. Het ‘merkteken’ is in de eindtijd de gruwel, die verwoesting veroorzaakt (Op. 13:16-17, 14:9-10) tijdens de grote verdrukking (Op. 7:14).

Er heeft gedurende de belegering van Jeruzalem en ook Masada een grote verdrukking plaatsgevonden, ongeveer 1 miljoen Joden vonden destijds de dood. Maar in Mattheüs 24:29-30 staat, dat meteen na die verdrukking de Zoon des mensen zal verschijnen. Met deze genoemde grote verdrukking kan dus onmogelijk de verdrukking in 70 n.Chr. zijn bedoeld, want meteen na de grote verdrukking zal Jezus op de wolken terugkomen om Zijn uitverkorenen bijeen te brengen (1 Thess. 4:16-17).

Het verbond met het Joodse volk werd verbroken

  • (Zach. 11:10) 10 Daarop nam Ik Mijn stok LIEFLIJKHEID en brak hem stuk, om zo Mijn verbond te verbreken dat Ik met al die volken gesloten had.

De kinderen van Jacob waren een uitverkoren volk en bevoorrecht God te leren kennen:

(Psalm 105:4-5) 5 Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft, aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond, 6 nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
(Romeinen 3: 1 Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is het voordeel van het besneden zijn?  2 Veel, in alle opzichten. Want in de eerste plaats zijn hun de woorden van God toevertrouwd.

De stok of staf van ‘lieflijkheid’ werd gebroken; de mildheid en bevoorrechting door God hield op. Het Joodse volk had Gods liefde en bevoorrechting niet gewaardeerd en weigerden te voldoen aan de voorwaarden van Zijn verbond, zodat God het verbond nu had vernietigd met uitzondering van het uitverkoren overblijfsel. De wet van Mozes eindigde met het Nieuwe Verbond (Hebr. 8:13). Maar eerst vertelde Jezus tegen het onberouwvolle Joodse volk wat er met hen zou gebeuren:

(Mattheüs 21:43) 43 Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.

Vele Joden echter stelden geloof in de Christus en werden daarmee kinderen van God:

(Johannes 1:12) 12 Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

Christus werd de ‘Middelaar’ van het Nieuwe Verbond tussen ‘God’ en ‘Zijn kinderen’:

(Hebreeën 8:1,6) 1 De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: Zo’n Hogepriester hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen….6 Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd. (zie ook Hebr. 9:15)

  • (Zach. 11:11) 11 Op die dag werd het verbroken en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die Mij verwachtten, erkend dat het een woord van de HEERE was.

Als Andreas Jezus heeft ontmoet gaat hij als eerste naar zijn broer Simon met de euforische uitroep: ‘Wij hebben de Messias gevonden’, waar de Schrift over verteld:

(Johannes 1:32,41-46) 32 En Johannes (de Doper) getuigde: Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem….41 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren. 42 Deze vond als eerste zijn eigen broer Simon en zei tegen hem: Wij hebben de Messias gevonden, wat vertaald wordt als de Christus. 43 En hij leidde hem tot Jezus. Jezus keek hem aan en zei: U bent Simon, de zoon van Jona; u zult Kefas genoemd worden, wat vertaald wordt met Petrus. 44 De volgende dag wilde Jezus weggaan naar Galilea en Hij vond Filippus en zei tegen hem: Volg Mij. 45 Filippus nu kwam uit Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus. 46 Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: Wij hebben Hem gevonden over Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en ook de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.

Jezus eerste discipelen waren zeker van de Messias, ze herkenden Hem aan Zijn woorden.
Ook het Joodse volk wist dat de Messias zou komen en wilde de beloofde Messias vinden:

(Johannes 6:13-14) 13 Zij verzamelden ze nu en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die overgebleven waren bij hen die gegeten hadden. 14 Toen de mensen dan het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden, zeiden zij: Híj is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.

  • (Zach. 11:12-13) 12 Want Ik had tegen hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, geef Mij Mijn loon; zo niet, laat het na. Toen hebben zij Mijn loon afgewogen: dertig zilverstukken. 13 Maar de HEERE zei tegen Mij: Werp dat de pottenbakker toe – een mooie prijs waarop Ik door hen geschat ben! Daarop nam Ik de dertig zilverstukken en wierp ze in het huis van de HEERE de pottenbakker toe.

Als een rund een slaaf of slavin doodde, kostte dat de eigenaar dertig sikkel zilver (Ex. 21:32).
Zacharia, die hier sprak namens de Christus, vroeg de Joodse religieuze leiders om Zijn beloning, en indien Hij die zou ontvangen, wat Zijn loon zou moeten zijn. Dan volgt de sarcastische opmerking dat het een fraaie prijs is, die 30 zilverlingen voor de Zoon van God. Werp dat minachtende bedrag maar weg, naar de pottenbakker toe:

(Lukas 22:2-3) 2 En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem (Jezus) om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk. 3 Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde.
(Mattheüs 27:3-5) 3 Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en de oudsten terug 4 en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien. 5 En nadat hij de zilverstukken de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.

Met de 30 zilverlingen werd door de overpriesters later een stuk grond van de pottenbakker gekocht als begraafplaats voor de vreemdelingen (Matt. 27:7-8) dat bloedakker werd genoemd (Hand. 1:19).

  • (Zach. 11:14) 14 Toen brak Ik Mijn tweede stok, SAMENBINDING, stuk, om zo de broederschap te verbreken tussen Juda en Israël.

Christus brak zijn tweede stok ‘samenbinding’ toen het Joodse volk het evangelie verwierp en geen deel wilde zijn van de uitverkorenen. De Joodse Christenen waren wel eensgezind (Hand. 2:1). Christenen vormen samen als ledematen van één lichaam, het ‘lichaam van Christus’ (1 Kor. 12:27). Vanaf de tijd dat het volk terugkeerde uit Babylon, hadden de Joden en Israëlieten één samenleving en religie gevormd, met uitzondering van Samaria.
De Samaritanen bouwden een eigen tempel op de berg Gerizim nabij Sichem.

 Gerizim

De Samaritaanse tempel op de berg Gerizim werd door de Joodse Hasmonese koning Hyrcanus in 128 v.Chr. verwoest (Makkabeeën). De Samaritanen bleven nadien op de berg Gerizim aanbidden. Aan de voet van de Gerizim ligt de Jakobsbron, waar Jezus sprak met de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:19-20).

De profeet Maleachi beschrijft de verzwakte staat van aanbidding na de ballingschap:

(Maleachi 1:6-8) 6 Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam? 7 Doordat u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk. 8 En als u een blind dier ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek dier ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn? Dit zegt de HEERE van de legermachten.
(Maleachi 2:8) 8 U echter, u bent afgeweken van de weg: velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen. U hebt het verbond met Levi tenietgedaan, zegt de HEERE van de legermachten. (zie ook Maleachi 3:14)

Voor de onwillige Joden werd de verwoesting van Jeruzalem en Masada een drama, de Joden werden verstrooid over de wereld. Sommigen bleven aan de wet van Mozes vasthouden, maar nu zonder de tempel in Jeruzalem. De apostel Jacobus spreekt van ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’:

(Jacobus 1:1) 1 Jakobus, een dienstknecht van God en van de Heere Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn: wees verheugd!

De apostelen wisten dat veel verstrooide Joden woonachtig waren in Klein-Azië, wat nu Turkije heet:

(1 Petrus 1:1) 1 Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen in de verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië,

De herder van niets, de Antichrist

  • (Zach. 11:15-17) 15 De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder. 16 Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat dreigt uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge dieren zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat nog overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette dieren eten en hun hoeven zal hij afrukken. 17 Wee de herder van niets, die de kudde in de steek laat! Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog. Zijn arm zal helemaal verstijven, zijn rechteroog zal helemaal dof worden.

Het optreden van de dwaze herder uit vers 15-17 is een profetische verwijzing  naar de laatste dagen. Want er staat nogmaals een dwaze herder, niet de dwaze herders in Jezus dagen maar een die nog dwazer is, dat is de Antichrist.
Dwaasheid staat volgens Psalm 14 gelijk met goddeloosheid en grove zonde:

(Psalm 14:1) 1 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij handelen verderfelijk, bedrijven gruwelijke daden; er is niemand die goeddoet.

Echter, hij ‘doet zich wel voor’ als een goede herder, als het Lam, maar hij spreekt als Satan:

(Openbaring 13:11-12) 11 En ik zag een ander beest opkomen, uit de aarde, en het had twee hoorns, als die van het Lam, maar het sprak als de draak.

Deze dwaze herder, de zoon van het verderf, zal zich verheffen boven God en zal ‘als God’ in God’s tempel gaan zitten (2 Thess. 2:3-4). Voor deze Antichrist zal dus een nieuwe tempel in Jeruzalem worden gebouwd, een synagoge van Satan wel te begrijpen (2 Thess. 2:4).
Deze dwaze herder zal een (crypto-)Jood zijn, in de lijn van koning David (Psalm 132:11).
God zal de Joden een krachtige dwaling zenden omdat ze Gods Zoon niet geloofd hebben, wat zoveel betekent dat ze geen herder meer zullen hebben om hen te beschermen omdat God de stok of het verbond met hen verbroken heeft (zie Zach. 11:9-10):

(Johannes 5:43) 43 Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen.
(2 Thessalonicenzen 2:10-12) 10….omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, 12 opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

De profetie in Ezechiël zegt verder wat de Heere HEERE, de Messias, zal gaan doen:

(Ezechiël 34:12-16) 15 Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE. 16 Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort.
Onderstaand is wat de goede Herder (Jezus) deed, maar wat de Antichrist zeker niet zal doen:

(Luk. 19:10) 10 Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.
(Mattheüs 18:12,14) 12 Wat denkt u: als iemand honderd schapen heeft, en een daarvan afgedwaald is, zal hij niet de negenennegentig andere achterlaten en in de bergen het afgedwaalde gaan zoeken?….14 Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren gaat.
(Lukas 5:15) 15 Het gerucht over Hem verspreidde zich echter des te meer en een grote menigte kwam bijeen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

De Antichrist zal het vlees van de vette dieren eten en hun hoeven zal hij afrukken (vers 16):

(Jesaja 6:10) 10 Maak het hart van dit volk vet, en stop hun oren toe, en sluit hun ogen; anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen, en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen. (zie ook Mattheüs 13:15)
(Psalm 17:10) 10 Met hun vet hebben zij hun hart afgesloten, met hun mond hebben zij trotse taal gesproken.

Een vet hart heeft de betekenis van harteloos, gewetenloos, zonder liefde voor anderen.
De hoeven afrukken heeft de betekenis van het weerhouden van de schapen om geweid te worden. Hij zal in zijn handelen een meedogenloze geestelijke leider zijn wanneer hij zich onder de Joden zal openbaren. Jezus zal echter oordelen tussen het ‘vette’ schaap en het ‘magere’ schaap:

(Ezechiël 34:20-22) 20 Daarom, zo zegt de Heere HEERE tegen hen: Zie, Ik zal Zelf oordelen tussen het vette schaap en het magere schaap, 21 omdat u al het zwakke met flank en schouder wegduwt en met uw hoorns stoot, totdat u ze naar buiten toe verspreid hebt. 22 Ik zal Mijn schapen verlossen, zodat ze niet meer tot een prooi zullen zijn.

Deze kwaadaardige herder, deze herder van niets, zal dus uiteindelijk vernietigd worden:

(2 Thessalonicenzen 2:8) 8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst;
(Openbaring 19:20) 20….Deze twee (de wereldmacht en de valse profeet, de Antichrist) werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt.

Tot slot:

Ook nu hebben we wereldwijd geselecteerde leiders of overheden gekregen, die liegen en bedriegen. Gelukkig blijven er altijd enkele integere politici, die helaas sterk tegengewerkt worden. Het is de Antichrist die Gods wet en ook de (grond-)wet zal veranderen:

(Daniël 7:25) 25 Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen,….

In het volgende artikel gaan we verder met het toekomstige Jeruzalem.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *